Dirk Veulemans - Componist

NED | ENG

1/4  Een oude letterbak
 

2/4  Drukletters
 

3/4  Een oude letterbak
 

4/4  Tendequaar (screenshot)
 

Tendequaar en pseudotekstgenerator

Onderstaande tekst werd geschreven door Paul Moyaert, filosoof. In het werk Tendequaar (zie link onderaan) werden de opeenvolgende tekens uit deze tekst gebruikt als input voor de pseudo-tekstgenerator die werkt op basis van de volgorde van deze tekens. De compositie gaat over het idee (semantiek), een tekst (syntax) die uiteindelijk desintegreert tot tekens, de ideële atomen. De tekst van Moyaert handelt ook over het teken. Deze tekst spreekt (in 1979) nog van materiële inscripties, dus fysische tekens. De vraag tegenwoordig is in hoeverre we in onze beeldschermencultuur nog over fysische tekens kunnen spreken.

Het teken - door Paul Moyaert

(met toelating een fragment uit een essay over Derrida, uitgegeven in 1981 door S. IJsseling bij Ambo.)

Aansluitend bij een rijke metafysische traditie zou men met de linguistiek de volgende zeer algemene bepaling kunnen geven van het teken. Het teken komt in de plaats en staat in de plaats van iets anders, bijvoorbeeld een object. We maken gebruik van een teken om naar iets te verwijzen en op iets te wijzen dat zelf niet oorspronkelijk in levenden lijve voor ons aanwezig is. als het object zelf voor ons onmiddellijk en volledig, adequaat aanwezig zou zijn, zouden we geen tekens nodig hebben. Het teken is een middel, een supplement, een supplementair hulpmiddel om te helpen daar waar, en op het ogenblik dat, de aanwezigheid zelf te kort schiet. We gebruiken tekens om dit gebrek te verhelpen. Als het object zichzelf niet kan presenteren, dan laat het zich presenteren door iets anders. Het teken is in die zin een plaatsvervanger, een plaatsvervangende vertegenwoordiger. Het teken is een substituut, maar ook een supplement: het komt bij iets anders, het wil een aanvulling zijn, een opvulling van een tekort aan aanwezigheid; het wil tegemoetkomen, hulp verlenen.

Het teken is ook een materiële inscriptie: het is zelf een materiële aanwezigheid die zichzelf als het ware doet vergeten, zichzelf ook moet wegcijferen, zijn eigen materiële dichtheid moet uitwissen, aangezien het zichzelf niet mag tonen, maar iets anders dan zichzelf moet vertegenwoordigen. Wie enkel zijn aandacht richt op het materiële uiterlijk van het teken, zal het teken niet meer als teken opvatten.

Het teken legt een band met een afwezigheid. het stelt het object voor in zijn afwezigheid. In die zin verhindert het teken dat de afwezigheid voor ons in een onbetekenend niets zou wegzinken. het is door het teken dat het afwezige voor ons zin heeft, dat we erop betrokken, en erin geinteresseerd zijn. Het teken roept iets op, wekt een interesse in ons op, veroorzaakt een spanning en creeert een verlangen dat we zouden willen vervullen: het object zelf in levende lijve zien, het aanraken, grijpen, voelen, omvatten, incorporeren of consumeren, kortom in de directe nabijheid van de onmiddellijke aanwezigheid mogen vertoeven. Het teken roept het verlangen op naar een niet meer betekenende naakte, zuivere en zelfgenoegzame aanwezigheid: de ongerepte nabijheid van een object dat niets meer oproept, zelf geen teken meer is van iets anders en dus niets meer te wensen overlaat. Maar het teken temporiseert en stelt een ruimtelijke afstand in: het stelt het moment van het onmiddellijk contact uit, en in het uitstel van de bevrediging ontstaat het verlangen. Het teken schort de onmiddellijkheid op; en daarin ligt de ervaring van zin. Daarom is iets als teken opvatten het prototype van de ervaring van zin: het teken zet ons op en in gang; het zet ons aan iets te bereiken. Het suggereert ons de verborgen aanwezigheid van datgene wat we eigenlijk zouden willen zien met onze ogen of met het innerlijk oog van ons bewustzijn, grijpen met onze handen of begrijpen met ons verstand. Het teken roept het ideaal op van een aanwezigheid zonder tekens; een direct contact met het echte, zonder surrogaat van tekens.

De klassieke tekenopvatting moet begrepen worden tegen de achtergrond van dit ideaal. Daarom behoort het tot de structuur en het wezen zelf van het teken als teken dat het gedacht wordt in termen van representatie: een aanwezigheid die afwezig is, wordt gerepresenteerd, opnieuw tegenwoordig gesteld. Die afwezige aanwezigheid kan ofwel begrepen worden als een oorspronkelijke aanwezigheid waarvan de aanwezigheid achteraf verloren is gegaan. De oorsprong, het oorspronkelijke, de originaire aanwezigheid is verdwenen: er blijft enkel een teken over. Maar die oorspronkelijke aanwezigheid is aanvankelijk, bij de oorsprong, wel voor ons direct aanwezig geweest. Het teken stemt tot droefheid; de nostalgie naar de zuiverheid van de verloren oorsprong. Wat we echt zouden willen. Wat we echt zouden willen zien, is er ooit wel eens geweest, maar is er nu niet meer. Er is nog enkel een supplement, een substituut. Ofwel gaat het om een uiteindelijke aanwezigheid die we ooit wel eens zullen kunnen bereiken. Het teken doet leven en geeft hoop: het brengt ons een stap dichter bij de echte werkelijkheid die nog in de verte verborgen ligt achter het scherm en netwerk van tekens. De directe representatie van het aanwezige is terzelfder tijd arche en telos.

Daarom kunnen tekens beter of slechter zijn naar gelang ze het oorspronkelijke nauwkeuriger representeren en ons dichter bij de ultieme aanwezigheid brengen. Tegen de achtergrond van een aanwezigheid die er eens is geweest en of aanwezigheid die reeds op zich, maar nog niet voor ons is gegeven, moet men de tekens opvatten als de letterlijke of de figuurlijke weergave, de eigenlijke of oneigenlijke representatie, de directe of indirecte uitdrukking (inkleding) van een oorspronkelijke en ultieme aanwezigheid. Wat nu figuurlijk gezegd wordt, kan en moet later, zonder verlies van zin, ook letterlijk uitgedrukt worden. Hetzelfde betekende kan door betekenaars metaforisch en niet metaforisch veruitwendigd worden, zonder dat er iets van de eigenlijke betekenis van dat betekende verloren gaat. Het oneigenlijke, het indirecte, het figuurlijke spreken kan in principe vroeg of laat altijd vermeden worden en moet men ook zoveel mogelijk vermijden: het indirecte, rechtstreekse contact is altijd beter dan de supplementaire omweg van de oneigenlijke inkleding, die meer verhult dan onthult.

Maar hoewel tekens onderling misschien wel beter of slechter kunnen zijn, in elk geval blijven ze steeds gebrekkig en onvolledig. Ze blijven een surrogaat, een Ersatz van wat we eigenlijk zouden willen zien.

laatste update: 2021.05.19


Gerelateerde pagina's
  Tendequaar

Alle rechten voorbehouden